s’ Nachts heb ik Anton omarmd, wiens naam de laatste tijd telkens opduikt. Het is ook de naam van opa Fisscher die ik nooit heb gekend. Ik hield van hem maar ‘niet op die manier’. Anton was een aimabele man met een gebruiksaanwijzing, hij verweet zijn vader dat die nooit zijn liefde voor hem uit had gesproken. ‘Ik hou van jou’ heeft hij nooit gezegd, zei de man die van dezelfde leeftijd als mijn ouders was. Hij heeft het niet kunnen verkroppen en dat nam ik hem kwalijk: zijn slachtoffersschap. Voorts heb ik hem geholpen om alle spullen van zijn ‘zuster’ via marktplaats te verkopen. Hij had die kamer nodig om in te slapen want hij sliep niet goed. Toen het klaar was zei Anton dat ie toch liever in het hok bleef liggen waar nu zijn bed stond. Vervolgens kreeg Anton een vriendin die jaloers was. Op een dag ben ik spontaan langs gegaan bij hem in Zuid en kwam hij aan de deur. ‘Pssst, mijn vriendin is hier’ en smeet de deur voor me dicht. Dat was aanleiding voor mij om de deur naar hem dicht te doen. Ik heb hem een kaart geschreven met uitleg, nooit meer iets van hem gehoord. Wel dat ie overleed op hoogbejaarde leeftijd in het verpleeghuis. Ik zie hem soms fietsen op het Velperplein, in de regen met zijn paarse cape. Tati – mijn hond – wou eens naar Anton toen we langs bushalte Stadstheater liepen. Hij wees met zijn snuit ‘die kant wil ik uit’ waar ik niet op in ben gegaan. Tenslotte wou hij mijn verhaal niet lezen toen ik hem dat vroeg. ‘Jij kunt toch helemaal niet schrijven’ zei Anton, wat ook voortkwam uit jaloezie van weer een andere vriendin. Kort nadat ik van hem droomde zag ik hem lopen op de kop van de Steenstraat, in een ander. Waarom ik van hem hield is de vraag die nu, in zijn 100ste geboortejaar van belang is.

Uit: De jacobsladder van Maarten t Hart
Het jaar 2025 is bijna voorbij en ik weet inmiddels waar ik jou dankbaar voor ben: ‘wil je geluk of gelijk?’ was jouw levensmotto, dat bij me blijft.



